Invoering

Persoonsbewijzen speelden een belangrijke rol tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland. In 1941 werden door de Duitse bezetters nieuwe persoonsbewijzen geïntroduceerd die verplicht waren voor alle burgers vanaf 15 jaar oud. Deze persoonsbewijzen bevatten informatie zoals naam, geboortedatum, beroep, adres en een pasfoto. Ook vingerafdrukken werden vastgelegd op het document. Het was van groot belang om het persoonsbewijs te allen tijde bij zich te dragen, omdat er regelmatig controles werden uitgevoerd door de bezetters en het niet kunnen tonen van een geldig persoonsbewijs levensgevaarlijk kon zijn.

Voor Joden was het nog gevaarlijker om zonder persoonsbewijs rond te lopen. In 1942 werden alle Joden in Nederland verplicht om een “J” in hun persoonsbewijs te laten stempelen om ze zo te kunnen identificeren. Dit maakte het voor de Duitsers gemakkelijker om Joden op te sporen en te deporteren naar concentratiekampen.

Veel mensen, waaronder het verzet en individuen die Joden hielpen onderduiken, vervalsten persoonsbewijzen om te voorkomen dat ze werden opgepakt of om te helpen bij de vlucht van Joden. Deze vervalsingen waren niet zonder risico, omdat ze vaak opvallend waren en ontdekking tot zware straffen leidde.